De managementovereenkomst: fiscaal interessant of risico?
Wat is een managementovereenkomst?
Bij een managementovereenkomst levert een managementvennootschap, doorgaans een BV op naam van de bedrijfsleider, diensten aan een operationele vennootschap. De operationele vennootschap betaalt een managementfee, die zij als beroepskost aftrekt. De managementvennootschap ontvangt die vergoeding en wordt belast aan het vennootschapstarief.
De constructie is legitiem en wijd verspreid. Ze is echter ook een geliefd doelwit van de fiscus, want de grenzen tussen slimme fiscale planning en misbruik zijn niet altijd scherp.
De fiscale logica: waarom loont het?
Zonder managementvennootschap worden de inkomsten van een zelfstandige volledig belast in de personenbelasting, progressief tot 50%, bovenop de sociale bijdragen. Via een managementvennootschap verloopt de fiscaliteit anders: de winst wordt eerst belast tegen 20% op de eerste €100.000 (het verlaagd tarief voor kleine vennootschappen) en vervolgens aan 25%.
Daarna heeft de bedrijfsleider meer flexibiliteit om te bepalen wanneer en op welke manier hij middelen opneemt, bijvoorbeeld via bezoldiging, dividenden of andere technieken. Voor dividenden kan onder het VVPR-bis-regime momenteel nog een verlaagd tarief van 15% roerende voorheffing worden toegepast. Volgens de huidige plannen zou dit tarief stijgen naar 18%, vermoedelijk ten vroegste vanaf 1 juni 2026, afhankelijk van de definitieve goedkeuring en publicatie van de programmawet.
Het standaardtarief voor dividenden blijft 30%, waardoor de VVPR-bis-regeling nog steeds fiscaal voordeliger is, zij het met een kleiner voordeel dan voorheen. De fiscale marge die een managementvennootschap biedt is dus reëel, maar vormt geen vrijgeleide.
Wanneer aanvaardt de fiscus de aftrek? (art. 49 WIB92)
De managementfee is slechts aftrekbaar als beroepskost bij de opdrachtgevende vennootschap wanneer aan de vier voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan:

Belangrijk is dat de fiscus niet mag oordelen over de opportuniteit van een uitgave, dat heeft het Hof van Cassatie al in 1960 bevestigd. Hij mag wél nagaan of de prestaties reëel zijn en of het bedrag voldoende verantwoord is. Een vage factuur met enkel “managementvergoeding voor de periode…” volstaat niet.
De risico’s: aanvalspunten van de fiscus
1. Simulatie
De fiscus kan stellen dat de juridische constructie niet overeenstemt met de werkelijke wil van de partijen. Als hij dat bewijst, wordt de managementvennootschap genegeerd en worden de inkomsten rechtstreeks belast bij de natuurlijke persoon.
De bewijslast ligt bij de fiscus maar dat is geen geruststelling als het dossier zwak is. Het Hof van Cassatie (2 januari 2020) maakte dit duidelijk: de eigen rechtspersoonlijkheid van een managementvennootschap moet worden erkend, tenzij simulatie bewezen is. Rechters die de managementvennootschap zonder dat bewijs negeerden, werden teruggefloten.
2. Antimisbruikbepaling (art. 344 §1 WIB92)
De algemene antimisbruikbepaling laat de fiscus toe om rechtshandelingen te negeren die wezenlijk gericht zijn op belastingontwijking en die strijdig zijn met de doelstellingen van het WIB92.
De belastingplichtige kan dit weerleggen door niet-fiscale motieven aan te tonen: economische, financiële of patrimoniale redenen. Die motieven hoeven niet groter te zijn dan de fiscale motieven, maar mogen niet louter bijkomend of kunstmatig zijn.
In de praktijk wordt dit artikel vaker succesvol ingeroepen bij:
- managementvennootschappen zonder eigen infrastructuur, personeel of middelen (“lege” vennootschappen)
- constructies waarbij de fee structureel hoger is dan de doorgestorte bezoldiging, zodat winst zich ophoopt
- vaag opgestelde en gebrekkig uitgevoerde overeenkomsten
3. Herkwalificatie als bezoldiging (attractiebeginsel)
Als de bedrijfsleider van de managementvennootschap feitelijk een leidinggevende rol opneemt bij de opdrachtgevende vennootschap kunnen de vergoedingen worden geherkwalificeerd als bedrijfsleidersbezoldiging in de personenbelasting (art. 32 WIB92). Het attractiebeginsel impliceert dat alle inkomsten van een bedrijfsleider m.b.t. die vennootschap als bezoldiging worden belast, ook al worden ze anders benoemd.
Na Cassatie 2020 is dit alleen mogelijk als de bedrijfsleider zelf feitelijk als bestuurder optreedt, niet louter omdat hij bestuurder is van de managementvennootschap.
Aanvaardbaar vs. risicovol: de praktische toets

BTW: een vaak vergeten aandachtspunt
Rechtspersonen die als bestuurder optreden, zijn verplicht BTW-plichtig voor hun bestuurdersmandaat (ruling 30 maart 2016). Zij rekenen 21% BTW aan op de managementfee. Dat is aftrekbaar bij de opdrachtgever als die zelf volledig BTW-plichtig is, maar het vergroot de administratieve verplichtingen en het risico op fouten.
Conclusie
Een managementovereenkomst is geen automatisch fiscaal voordeel, ze is een instrument dat werkt als de economische realiteit de structuur ondersteunt. De fiscus aanvaardt de constructie wanneer er werkelijke prestaties zijn, een marktconforme vergoeding en een eigen werking van de managementvennootschap. Hij grijpt in wanneer de overeenkomst vaag is, het bewijs ontbreekt of de structuur uitsluitend belastinggedreven is.
De rechtspraak beschermt de legitieme managementvennootschap beter dan vroeger. Maar de bewijslast van de realiteit van de prestaties blijft volledig bij de belastingplichtige. Een goed gedocumenteerd dossier is dan ook geen luxe maar een noodzaak.